Joachim Pohlmann over volk, elite en democratie

by | dec 1, 2025 | Interview | 0 comments

Wie zich ‘elitair’ gedraagt, doet iets negatief. En wie tot ‘de elite’ behoort, heeft wellicht iets negatief gedaan. Dat lijken althans de theses van een modern links discours dat hiërarchie, verschillen en succes als verdacht bestempelt. Joachim Pohlmann, auteur van ‘Volk & Elite’, spreekt dat tegen: ‘Elites zijn noodzakelijk. En elites van democratische landen zijn veel toegankelijker dan die in autoritaire systemen, zoals het communistische.’ 

Pohlmann schreef het boek ‘Volk & elite’, uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts. Met zijn boek formuleert Pohlmann, vandaag werkzaam als kabinetschef van de minister van Defensie, hoe volk en elite elkaar in evenwicht houden en samen een politieke gemeenschap besturen. Dat het bestaan van een elite – of juister: elites – niet iets negatief is, is één van zijn belangrijkste conclusies.

‘Elitair’ heeft een negatieve bijklank. Waarom is dat zo?

Pohlmann: Het idee dat er iets verdacht is aan een elite vloeit voort uit de gelijkheidsgedachte die eigen is aan de democratie. Tussen burgers onderling mogen er in een democratie geen hiërarchische verschillen bestaan. Dat is de theorie – of alleszins een versie van de theorie, maar de realiteit is natuurlijk helemaal anders.

Ieder systeem, wat voor systeem ook, zal bestaan uit zij die besturen en zij die bestuurd worden. Ook in een democratie. De ijzeren wet van de oligarchie dicteert dat er steeds een soort van stroomlijning van beslissingsmacht plaatsvindt, vooral vanuit praktische overwegingen. Het is nu eenmaal onmogelijk om een hele grote groep – in sommige landen honderden miljoenen – integraal aan het besluitvormingsproces te laten deelnemen. Er zijn ook partijen die basisdemocratie hoog in het vaandel dragen, maar in de praktijk is dat meestal onwerkbaar. En dat gaat dan maar over duizenden partijleden, niet over miljoenen. Delegatie van macht is onvermijdelijk omdat het nodig is.

En die delegatie creëert een ‘elite’.

Dat is juist. En elites dragen nu eenmaal in zich de wens om eens ze elite zijn ook elite te blijven. Dat is een inherent gevaar eigen aan elites: dat zij hun elitaire status als een onvervreemdbaar recht gaan beschouwen. Dat doembeeld wordt vaak opgerakeld wanneer gesproken wordt over ‘de elite’. In open, democratische landen mag dat gevaar evenwel niet overdreven worden. Onze elites zijn geen onveranderlijke, gesloten kastes die hun beslissingsmacht consolideren en niet langer enige verantwoording moeten afleggen.

Wanneer het gaat over de economische elite, is er een duidelijk verschil tussen de sociaaldemocratie en het marxisme. Sociaaldemocraten willen vooral volksverheffend werken, waarbij ook gewone mensen kunnen deel worden van de elite. De tweede categorie verzet zich meer fundamenteel tegen het bestaan van elites.

In mijn boek identificeer ik vier soorten elites. De oudste is de ‘kapitaalselite’, de economische elite. De elite die de productiemiddelen in handen heeft, die kan investeren, die zaken in beweging kan brengen. En die elite is, inderdaad, relatief gesloten. ‘Geld maakt geld’ zouden we vandaag zeggen, en dat is niet verkeerd. Er zou zonder die ‘geldmakers’ ook maar weinig gebeuren, de investeringen die zij doen komen ook andere mensen financieel ten goede. En mensen met geld nemen risico’s waardoor ze hun geld soms ook verliezen. Dat wordt wel eens vergeten.

De oude marxistische visie verengt de elites tot die ene kapitaalselite, maar er zijn nog drie andere elites, en het is belangrijk om die drie andere in relatie te begrijpen tot de kapitaalselite. De tweede elite is de ‘organisatorische elite’. Dat zijn de mensen die het systeem draaiende houden, zoals hogere ambtenaren en managers in private bedrijven. Het verschil is dat zij niet de machtsmiddelen bezitten – politieke macht of kapitaal – maar de beslissingen uitvoeren die door andere elites genomen worden. Naast kapitaal dus ook politieke macht, wat meteen de derde elite is: de politieke. In een democratie is dat de door het volk verkozen elite. Een elite die zeer wisselend van karakter is, want het is de enige die onderworpen is aan een structureel systeem van aanwijzing en vervanging door verkiezingen.

Dan zijn er al drie.

De vierde is de ‘communicatieve elite’. Dat zijn de mensen die dankzij een bepaald medium op het maatschappelijk debat willen wegen. Journalisten, bijvoorbeeld. Professoren natuurlijk ook. Hun medium is de aula, waarin zij een publiek – studenten – over een langere periode – een semester, soms een jaar – beïnvloeden. Toch als zij dat zelf willen. Om van een communicatieve elite te spreken, moet een dergelijke elite aan twee voorwaarden voldoen: ze moeten over toegang tot een medium beschikken en zij willen dat medium gebruiken om op het maatschappelijke debat te wegen.

Vandaar dat vandaag ook bepaalde online influencers tot de communicatieve elite kunnen gerekend worden. Sommigen genereren die aandacht om allerlei brol aan de man te brengen, maar er zijn er ook die op het maatschappelijke debat willen wegen. Hetzelfde wat we BV’s noemen: artiesten die niet enkel zingen of acteren, maar ook aan agendasetting, aan overtuiging, aan propaganda doen.

Vroeger noemden we de communicatieve elite de ‘intellectuele elite’. Maar omdat de democratisering van de communicatiemiddelen zo algemeen is, is het niet enkel een intellectueel discours dat de politieke toon zet. Communicatieve elite is een vlag die de lading beter dekt.

Al deze elites hebben macht of invloed. Klopt de linkse kritiek dat zij zich afschermen en een soort van – ik vat nu samen – onveranderlijk machtsblok vormen in een onrechtvaardige, ongelijke maatschappij?

Dat denk ik niet, neen. Het is namelijk eigen aan elites om dynamisch te zijn, dat zij zich openstellen voor nieuwe leden. Niet uit de goedheid van hun hart, maar uit zelfbehoud: een elite wil elite blijven. Zij zal daarom die mensen in haar middens opnemen die haar in staat stellen om elite te blijven. ‘Elitaire recuperatie’ heet dat proces. Doorgaans is dat een langzaam, evolutief proces maar soms gebeurt het ook plots, met volatiele schokken.

Het proces van elitaire recuperatie verloopt via een vast stramien. Er ontstaan bepaalde nieuwe tendensen in de maatschappij die de positie van de elites uitdagen, soms met het ontstaan van een tegenelite die zich verzet tegen de heersende elites. De elites stellen deze vast en voelen zich daar in eerste instantie door bedreigd. Maar wat zij dan doet, is leden van de opkomende tegenelite opnemen in haar eigen rangen. Het mooiste voorbeeld daarvan is wellicht België zelf. De Vlaamse Beweging komt op en wordt opgenomen door het Belgisch elitair systeem. Tot op het punt dat Vlamingen en Nederlandstaligen het systeem vandaag eerder domineren dan ondergaan. En tot op het punt dat je je zelfs de vraag stellen of dit allemaal wel zo fair is voor de Franstaligen.

Nu is er, ontegensprekelijk, een bepaald intergenerationeel aspect aan elites. Een ‘goede komaf’ is een goed begin.

Mensen worden in elites gesocialiseerd. In de eerste plaats door opvoeding, door de omgeving die hen een elitair netwerk aanbiedt en de manier van handelen – de elitaire etiquette – vanaf de geboorte aanleert. Maar dat is zeker niet de enige manier. De belangrijkste manier om toe te treden tot een elite, is onderwijs, dé motor van sociale promotie. Professor emeritus Wilfried Dewachter, politicoloog aan de KU Leuven, zei toen hij nog lesgaf dat een diploma weinig waard was, behalve dan als toegangsticket tot de elite. Je hebt door je universitaire opleiding bewezen dat je een bepaalde elitaire consensus geïnternaliseerd hebt en daarmee aan de slag kunt.

Via die elitaire consensus geven elites richting aan de samenleving. Die consensus is dynamisch, en er vindt een voortdurende dialoog plaats tussen de verschillende elites. Die consensus is ook het resultaat van een botsend debat, want de voornoemde elites – politiek, kapitaal, organisatorisch en communicatief – zijn het niet altijd met elkaar eens. Ze staan vaak in een concurrentiële positie tegenover elkaar en hebben niet noodzakelijk dezelfde belangen. Maar áls ze het met elkaar eens zijn, dan is er bijna geen stoppen aan. Dan is die inter-elitaire consensus een machtig instrument dat het de volledige politieke gemeenschap richting kan geven, ook al zijn de elitaire belangen  niet noodzakelijk in overeenstemming met die van het volk.

De totstandkoming van een elite, van elites, is onvermijdelijk.

Onvermijdelijk en noodzakelijk. Zonder elites is een systeem niet werkbaar. Zelfs systemen die uitgaan van een absolute gelijkheid, zoals het communistische of het oud-Spartaanse, waren systemen met elites. Meer nog: dat waren vaak de meest gesloten kastes van elites, met maar erg beperkte doorstroming van het volk naar de elite. Omdat zo’n elites officieel niet bestonden, gebeurde de elitevorming volstrekt  informeel en heimelijk.

En dan krijg je situaties zoals in Sovjet-Moskou waar het volk mocht aanschuiven om brood te kopen, terwijl de partijbonzen in afgesloten luxewijken woonden waar ze westerse producten konden kopen. Omkoping en corruptie zijn in dergelijke systemen dan ook geen zeldzaamheden.

Als ik mag samenvatten: het streven naar absolute gelijkheid leidt net tot de totstandkoming van harde, onverantwoordelijke, ontoegankelijke elites?

Kijk, elites zullen er altijd zijn. Dat is de ijzeren wet van de oligarchie. Wie die wet aanvaardt en zijn systeem zo inricht dat de elitevorming en dynamiek van elitaire recuperatie geoptimaliseerd worden, zal floreren. Maar wie de wet ontkent, opent de deuren voor misbruik. Er zullen in dergelijke systemen onvermijdelijk ook elites ontstaan, maar die elites zullen gesloten zijn en weinig of geen rekenschap afleggen aan de bevolking. Dat is de keuze.

We moeten wel opletten, want ook in de democratie schuilt een gevaar, maar van een andere orde. In de kern van de democratie zit een gelijkheidsgedachte, zoals de Tocqueville opmerkte. Democratisering leidt tot egalisering en nivellering, niet vanuit een ideologische gedrevenheid, maar vanuit een dynamiek die inherent is aan de democratie. Burgers moeten in een democratie immers gelijk zijn, want ertoe leidt dat we het verschil willen onderdrukken. Dat was ook de kritiek van Plato op de eerste Atheense democratie, die natuurlijk op een mislukking uitdraaide. Plato’s kritiek op de democratie werd invloedrijk tot ver in de 20ste eeuw. Het idee dat een democratie ook getemperd moet worden. ‘De macht van het getal’ kan niet allesbepalend zijn.

Hoe wordt de democratie dan getemperd?

Via de instellingen, de instituties. Die moeten ervoor zorgen dat de massa in haar ambities en aspiraties getemperd wordt. Net zoals het volk ervoor moet zorgen dat de elite in haar ambities en aspiraties getemperd wordt. Dat sluit aan bij wat Machiavelli zei: het volk heeft de macht van het getal, de elite de macht van het netwerk. En die moeten elkaar min of meer in evenwicht zien te houden. Als ze daarin slagen, zal vrijheid het resultaat zijn. Dat is samengevat zijn theorie. En ik denk dat dat klopt.

Een land als de Verenigde Staten begrijpt zichzelf nog maar sinds kort als een ‘democratie’. Lang omschreven zij zich in de eerste plaats als een ‘constitutionele republiek’. Frankrijk trouwens ook. Een dergelijke constitutionele republiek vormt een institutioneel kader waarbinnen de democratie haar plaats krijgt en kent, maar niet meer en niet daarbuiten. Feitelijk is dat bij ons ook zo, hé.

In de naoorlogse periode werden de instituties die de democratie moesten temperen, evenwel aan een egaliserende, democratische dynamiek onderworpen. Daardoor verloren zij hun temperende invloed. Universiteiten zijn zo’n voorbeeld, net zoals de kerk. In de VS werd de Senaat, één van beide wetgevende kamers, niet verkozen door de bevolking, maar door de deelstatelijke overheden van de States. Dat is vandaag niet meer zo. Een meer bescheiden voorbeeld is de Belgische Senaat van 1831. Leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers moesten maar 25 jaar oud zijn, die van de Senaat 40. Ze moesten ook een hoger minimum aan belastingen betalen  dan de leden van de Kamer. Was dat ‘democratisch’? Neen. Maar er speelden ook andere belangrijke overwegingen, naast de democratische.

De actuele kritiek op de Belgische Senaat is een kritiek die maar terecht is omdat de Senaat natuurlijk niet langer die temperende functie vervult. Wij zijn democratischer geworden, en onze instellingen moeten die democratisering weerspiegelen. En dan is een van de twee identieke, ‘volkse’ kamers inderdaad overbodig.

‘Democratisch’ is niet hetzelfde als goed. Net zoals gelijkheid niet per definitie iets positief is?

De Amerikaanse Founding Fathers, net als vele andere denkers van hun tijd, beschouwden de democratie als iets negatief. Zij trokken Plato door. Volgens Plato eindigde de democratie altijd – altijd – in een tirannie. Democratie was slechts een tijdelijke toestand die zou uitmonden in de slechtst mogelijke bestuursvorm, de tirannie. Nu was zijn idee van ‘democratie’ niet echt wat wij daarmee bedoelen. Wat Plato verstond onder ‘democratie’ was wat wij ‘directe democratie’ noemen, waarbij alles rechtstreeks aan de burgers wordt voorgelegd. Dan riskeren we mob rule, de dictatuur van de massa. Ons systeem is ontworpen om niet té democratisch te zijn. Onze Kamerleden vertegenwoordigen bijvoorbeeld niet ‘het volk’, maar ‘de natie’. Dat is het verbod op het imperatief mandaat.

Tezelfdertijd zijn er dan andere instellingen, zoals de Europese Unie, die gelegitimeerd worden door de elites, maar die eigenlijk heel weinig democratische legitimiteit hebben. Dat is een interessant contrast. Het is dan ook niet verwonderlijk dat één van de belangrijkste kritieken op de EU is dat de Europese volkeren maar moeilijk controle kunnen uitoefenen op de EU-instellingen; instellingen met veel macht. Maar over het bestaan van de EU is een sterke elitaire consensus, dus staat de Unie heel sterk.

U bent, gelet op het voorgaande, wellicht geen voorstanders van het idee dat een parlementslid vooral een ‘spreekbuis’ moet zijn voor de mensen die hem verkiezen.

Niet in de zin dat hij een doorgeefluik moet zijn. Het volk delegeert zijn macht aan personen die autonoom het beste moeten doen voor de natie. Dat is het ideaal. Een ideaal dat natuurlijk tamelijk ver staat van hoe de politiek vandaag bedreven wordt. Politici zijn uitermate gevoelig voor de feedback van de mensen die hen verkiezen, niet op z’n minst via sociale media. Want ze willen volgende keer natuurlijk opnieuw verkozen worden.

Ik denk daarom ook niet dat een parlementaire democratie gediend is bij een parallel systeem van referenda. Dat wordt wel eens geopperd. Maar de kennis- en informatieongelijkheid is zo groot, dat het volk onmogelijk geïnformeerde besluiten kan nemen. Dat klinkt behoorlijk elitair, ik besef dat, maar het is wel zo. Veel dossiers zijn dermate uitgebreid, complex en technisch dat ze zelfs slechts door een handvol politici echt doorgrond worden. Bij stemmingen vertrouwen de andere verkozenen dan op hun expertise. Dergelijke beslissingen overlaten aan miljoenen van kiezers leidt onvermijdelijk tot blokkering.

Wel kan ik er mij iets bij voorstellen om grote, strategische beslissingen aan het volk voor te leggen. Bijvoorbeeld de beslissing om al dan niet lid te worden van een supranationale organisatie zoals de EU. Dat zijn fundamentele, strategische keuzes, geen loutere kwesties van bestuurskunde. Dat zijn ook issues die relatief eenvoudig als een binaire keuze kunnen worden voorgelegd. Fundamenteel, maar niet per se complex.

Misschien nog even over die communicatieve elite, en dan in het bijzonder over die nieuwe communicatieve elite: de ‘influencers’. Moedigt u deze vorm van democratisering aan?   

Deze evolutie is een historische constante; iedere vernieuwing in de communicatietechnologie heeft een democratiserend effect gehad. Beginnende in de Oudheid, met de uitvinding van de kleitabletten. Er bestaat, tussen haakjes, een theorie dat de verspreiding van het christendom een vlucht heeft genomen doordat vroege christenen met codices gingen werken. Papieren rollen moest je met beide handen vasthouden, maar een codex kon je met één hand vasthouden, waardoor je met je tweede hand allerlei versterkende gebaren kon maken. Die codices waren ook gemakkelijker verhandelbaar, handiger. Of hoe media altijd al de boodschap bepaalden.

Iedere verbetering van de communicatietechnologie maakt informatie die vroeger enkel toegankelijk was voor een kleinere groep van mensen toegankelijk voor een grotere. De boekdrukkunst had een enorm effect op de ontwikkeling van de volkstaal en de volksverheffing, en zorgde voor alfabetiseringstendens waardoor steeds meer mensen konden lezen en dus geïnformeerd konden worden. Door de verbetering van de druktechniek werden op massale schaal gedrukte pamfletten en later kranten mogelijk, waardoor informatie sneller verspreid werd. Daarna kwam de radio, de televisie en, natuurlijk, het internet. Steeds meer mensen konden geïnformeerd worden. De echte innovatie die sociale media teweeg hebben gebracht is, volgens mij, dat het klassieke schema zender-boodschap-ontvanger overhoop werd gehaald.

Wat bedoelt u daarmee?

Eeuwenlang, sinds de oudheid, verliep communicatie volgens een vast stramien: de zender zond via een bepaald medium een boodschap uit naar een ontvanger. En dat was het. Iemand die een krant las of naar het journaal keek, was een volledig passieve ontvanger. Vandaag ontvangt de ontvanger niet enkel meer een boodschap, deze geeft onmiddellijk een boodschap terug. Elke ontvanger is een zender geworden. Dat heeft ertoe geleid dat in de huidige communicatieomgeving elke ontvanger ook een zender is en de zender ook een ontvanger. Vandaag is het medium, het instrument waarmee de boodschap verstuurd wordt, belangrijker geworden dan de zender, de ontvanger of zelfs de boodschap an sich.

Historisch gezien probeert een elite die zich bedreigd voelt door een innovatie in de communicatietechnologie om de controle te heroveren. Ze probeert een manier te vinden om de verhandeling van informatie die hun machtspositie bedreigt, opnieuw tot zich te trekken. Eerst gebeurt dat steeds via een verbod: men probeert de innovatie te verbieden. Maar dat lukt niet, want de technologie gaat ondergronds of is onmogelijk te controleren. Dan volgt censuur, maar ook dat lukt niet omdat censuur nooit sluitend is.

Ultiem volgt dan het belasten van de technologie: men staat de innovatie toe, maar men voert er heffingen op in. Niemand herinnert het zich vandaag nog, maar nog niet eens zo lang geleden moest je zegels kopen om affiches te mogen ophangen. Aan dat rijtje kan je tegenwoordig ook de fact checking door traditionele media van wat er op sociale media verschijnt toevoegen. Ook dat is een poging om meer grip te krijgen op de verspreiding van informatie. En dat is geen onverdeeld succes, zoals u weet.

***

Related Posts

0 Comments