Naar een herwaardering van ‘burgerlijkheid’ (Dimitri De Roover)

by | apr 1, 2026 | Opinie, Vrije Tribune | 0 comments

‘Ik breng mijn dagen door met lezen, dagdromen, het bestuderen van geschiedenis en bezoeken aan het theater.’ Deze typering van zijn dagdagelijkse bezigheden zou Marcel Proust vandaag op hoongelach worden onthaald en worden afgestempeld als burgerlijk en snobistisch. Misschien zijn deze assumpties niet geheel onwaar, maar is de pejoratieve bijklank onterecht en misplaatst.

De hang naar het hogere, de zoektocht naar verfijning en het trachten dit toe te passen op het eigen dagelijkse leven zijn, naast nobele doelen, ook een motor voor culturele productie en identiteit. Dit streven verdient dan ook een herwaardering in plaats van verwijtende spot.

Een kritische observator met persoonlijke aspiraties

De naam Marcel Proust behoeft nauwelijks toelichting. Tot op vandaag geldt hij als een van de grootste stemmen uit de Franse en Europese literatuur. Zijn monumentale cyclus À la recherche du temps perdu (1908-1922), een uitwaaierende, semi-autobiografische roman over de intellectuele en gevoelsmatige volwassenwording van de verteller, veranderde niet alleen de moderne literatuur, maar schreef ook een seculiere bijbel van herinnering, verlangen en smaak. In de roman ontvouwt zich het verfijnde burgerlijke leven van het einde van de negentiende eeuw: salons, kunst, adellijke titels, roddels, jaloezie, ambitie. Alles wat mooi en groots heet te zijn. En tegelijk alles wat men vandaag met een zekere gêne ‘elitair’ noemt.

Proust was afkomstig uit de Joodse hogere burgerij, zoon van een gerenommeerd arts, opgegroeid in een milieu waar cultuur geen luxe was, maar een vanzelfsprekendheid. Hij was buitengewoon gevoelig voor rang, naam en afkomst, soms op het obsessieve af. Precies daarom wordt zijn werk vaak gelezen als een kritische aanklacht tegen een snobistische, kortzichtige bovenlaag. Dit is een comfortabele en postmoderne lezing. Ze maakt van hem een criticus die boven zijn onderwerp staat. In werkelijkheid stond hij er middenin.

Zijn fascinatie voor aristocratie en burgerlijke verfijning was geen loutere spot, maar een mengeling van ambitie, ironie en zelfkennis. Hij doorzag het spel van titels en salons, maar speelde het tegelijk mee. Wat men graag als misprijzen leest, is eerder een dissectie. De verteller van À la recherche en Proust zelf zijn geen moralisten die de hogere klasse veroordelen, maar zelfbewuste observatoren die erkennen dat cultuur, smaak en onderscheid nooit neutraal zijn en dat het verlangen naar het hogere vanuit een dieper menselijk streven kan voorktkomen. Misschien is dat precies wat vandaag schuurt: niet dat Proust het snobisme ontmaskert, maar dat hij weigert het volledig te veroordelen.

Contrast tussen ideaalbeeld en realiteit

Om zijn behandeling van hogere burgerij en aristocratie te verduidelijken zijn de typering van de familie de Guermantes en het personage Charles Swann veelzeggend. De familie de Guermantes staat symbool voor de oude Franse adel. Haar namen en titels roepen een sacraliteit op die weerklinkt als een gotische kathedraal. Het jonge hoofdpersonage dicht deze wereld in het begin van de roman mythische proporties toe. De hertogin de Guermantes, die centraal staat, is niet louter een menselijk personage, maar een idee. Ze belichaamt alles wat verheven en sacraal is, alles wat de verteller én Proust zo bewonderden. Naarmate de roman vordert, komen geleidelijk barsten in deze bewondering: de dialogen en gedachtegang tonen aan dat dit hogere milieu zich kenmerkt door ijdelheid, kleinburgerlijke houdingen en een zekere intellectuele leegte.

Toch doorprikken Proust en zijn verteller deze bubbel van glans niet volledig. Zij vormt eerder onderdeel van een bewustwordingsproces dat inziet dat aristocratische middens niet altijd voldoen aan dit verheven ideaal, maar dat onderscheid wordt geconstrueerd door erkenning. Wat in een hedendaagse postmoderne context moeilijk kan worden geplaatst, is dat de auteur dit contrast tussen ideaalbeeld en realiteit niet simpelweg bekritiseert, maar opneemt in zijn eigen ideeënwereld. De idee dat er iets hogers bestaat waarnaar gestreefd kan worden zolang men erin gelooft, haast op religieuze wijze, is een positief gegeven. Hier treedt Charles Swann op het toneel. Hij vormt een van de belangrijkste personages in À la recherche en staat symbool voor dit streven naar het hogere. Vanuit zijn burgerlijke afkomst probeerde hij door middel van zijn gecultiveerdheid toegang te verkrijgen tot de aristocratische sferen en salons.

Geen vlucht, maar inzet

De verteller idoliseert alles aan de persoon van Charles Swann: zijn feilloze kunstsmaak, zijn kledingsstijl en zijn verfijnde manieren. Toch wordt vanuit aristocratische kringen neergekeken op zijn sociale klasse en vormt zijn Joodse afkomst tijdens de Dreyfus-affaire aanleiding tot achterdocht en misprijzen. Uiteraard duikt hier de analogie op met de Joodse afkomst van Proust zelf en zijn worsteling hiermee. Via zijn dochter Gilberte krijgt de verteller toegang tot het leven van Swann. Opnieuw leidt dit tot een kinderlijke adoratie en een mythische aanschouwing van al zijn doen en laten.

De levensloop van Charles Swann laat echter ook zien dat hij door zijn verfijning kon toetreden tot de hoogste sociale kringen, maar er steeds een buitenstaander zou blijven. Burgerlijke aspiraties zijn dus ambigue: het zit in de smaak, maar niet in het bloed. Kennis bracht je ver in aristocratische kringen, maar erfelijk prestige nog verder.

Net zoals bij Joris-Karl Huysmans in À rebours (1884) bestond er rond deze periode een fascinatie voor de neergang van de Franse adel en de ambities van de hoge burgerij. Maar waar Huysmans’ hoofdpersonage des Esseintes zich terugtrekt in esthetische afzondering, bijna ziekelijk afgesloten van de wereld, plaatst Proust zijn personages midden in het sociale verkeer. Bij hem is verfijning geen vlucht, maar een inzet. Geen decadente eindhalte, maar een instrument tot actie. Precies in die spanning, tussen uitsluiting en toegang, tussen neerkijken en opkijken, wordt duidelijk dat sociale hiërarchie niet enkel verstarring produceert, maar ook ambitie.

Het dédain van hogeraf werkt dus niet uitsluitend verlammend, het kan ook mobiliseren. Uitsluiting wekt verlangen om binnen te treden. Het is net de exclusiviteit van de hogere cultuur die haar begeerlijk maakt. In die zin is de hang naar sociaal-culturele mobiliteit van zowel de verteller als van Swann geen smaakloos snobisme, maar de uitdrukking van een diep gewortelde menselijke drang tot verheffing. Kan er maatschappelijk wel begrip of zelfs bewondering worden opgebracht voor zulk streven? Op smaakloos snobisme wordt terecht neergekeken, maar de welbekende boutade ‘mijn kinderen moeten het beter hebben dan ik’ kan toch ook in culturele termen worden geplaatst en niet louter in financiële.

Smaakloos snobisme of nobel streven naar cultivering?

De kern van het debat ligt in de vraag waarom wordt neergekeken op mensen die zich willen scholen of cultiveren om andere dan louter economische redenen. Het behalen van een diploma dat leidt tot een goedbetaalde job geldt als de meest vanzelfsprekende en legitieme ambitie. Maar zodra personen met een zeker economisch of sociaal kapitaal zich verder willen verfijnen, niet om hun marktwaarde te verhogen, maar om hun geest te vormen, wordt dit in eigen kring en van bovenaf vaak afgedaan als aanstellerij, als de schoenmaker die niet bij zijn leest blijft.

Economische mobiliteit is zichtbaar en meetbaar. Zij wordt, hoewel soms meewarig bekeken, uiteindelijk gerespecteerd, zeker wanneer zij voortkomt uit merkbare inspanning. Culturele mobiliteit daarentegen is minder tastbaar. Cultureel kapitaal laat zich niet eenvoudig in cijfers vatten en veronderstelt bij de waarnemer zelf een zekere vorming om het te herkennen. Wat men niet begrijpt, wordt al snel verdacht gemaakt. Toch impliceert het neerkijken zelf dat er iets is waarnaar gestreefd kan worden. Het bestaan van hogere cultuur, hoe men die ook definieert, veronderstelt de mogelijkheid tot verheffing.

Onderwijs is traditioneel het voornaamste instrument geweest om die verheffing mogelijk te maken. In het onderwijs situeert zich vandaag echter een dubbele problematische ontwikkeling. Enerzijds is het algemene opleidingsniveau de voorbije decennia zichtbaar gedaald en onder druk komen te staan. Anderzijds zorgt de drang naar hyperspecialisatie in het hoger onderwijs voor miskenning van een algemene scholing. Een universitaire opleiding beoogde in vorige eeuwen een zo compleet mogelijke intellectuele vorming, waarbij de student na zijn opleiding over een uitgebreide kennis beschikte die verder reikte dan de eigen specialisatie. Vandaag primeert vaak het gespecialiseerde onderzoek boven de algemene intellectuele ontplooiing, voornamelijk vanuit financiële overwegingen.

Pleiten voor een herstructurering van het hoger onderwijs is een zaak, de verantwoordelijkheid uitsluitend bij de instellingen leggen is een andere. In een tijd waarin kennis overvloedig beschikbaar is, rust een deel van de opdracht onvermijdelijk bij het individu. Een arts, ingenieur, jurist of natuurkundige heeft met zijn diploma zijn intellectuele ontwikkeling niet voltooid, maar slechts georiënteerd. Een opleiding in de harde wetenschappen sluit niet uit, en zou zelfs moeten aanmoedigen, zich te verdiepen in literatuur, geschiedenis, filosofie en kunst. Niet omdat iedereen gelijk moet zijn in smaak of kennis, maar omdat sommigen dit dieper streven in zich hebben om meer te willen zijn dan louter functioneel geschoolde specialisten.

Wanneer we dit perspectief toepassen op Marcel Proust en zijn À la recherche du temps perdu, ontstaat een andere lezing van wat vaak als snobisme wordt weggezet. De verteller wordt van jongs af aan cultureel gestimuleerd en zijn omgang met hogere kringen versterkt dat verlangen naar verfijning. Niet iedereen voelt de drang zich te laven aan de klassieken of ziet het nut in van hogere cultuur. Wie die innerlijke onrust echter wel ervaart, wie zich niet tevreden stelt met louter nut en efficiëntie, volgt een impuls die Proust tot kunst heeft verheven. Laat dat streven niet gereduceerd worden tot misplaatst snobisme, maar erkend worden als een vorm van zelfverheffing die verder reikt dan economische status. Het proustiaanse snobisme kan men dan herlezen als een pleidooi voor zelfcultivering: scholing omwille van de scholing zelf, vorming als esthetische en intellectuele opdracht.

***

Dimitri De Roover (1996) is master in de geschiedenis en de bestuurskunde (KU Leuven). In zijn doctoraatsonderzoek focust hij op de wisselwerking tussen religie en industrialisatie in Belgische industriesteden eind 19e eeuw. Daarnaast liggen zijn interesses voornamelijk in fin de siècle kunst, literatuur en politiek.

Related Posts

0 Comments